Waarom AI‑agents in 2025 voelen als nieuwe collega’s (of concurrenten)
Sinds begin 2025 voelt kunstmatige intelligentie ineens minder als “een slimme tool” en meer als een soort onzichtbare collega die naast me zit. Overal duiken AI‑agents op: systemen die niet alleen tekst genereren, maar zelfstandig taken plannen, uitvoeren en met andere systemen samenwerken. In deze post wil ik eerlijk opschrijven wat dat met me doet: de fascinatie, maar ook het ongemak.
Wat zijn AI‑agents eigenlijk?
De afgelopen jaren spraken we vooral over chatbots en generatieve AI: modellen die je een prompt geeft en iets terugkrijgt. AI‑agents gaan een stap verder: ze kunnen zelf beslissen welke stappen nodig zijn, data ophalen, tools aanroepen en complete processen runnen zonder dat je elk detail voorschrijft. Bedrijven zetten ze al in voor zaken als klantenservice, logistiek, rapportages, marketingcampagnes en interne IT‑processen.
Het belangrijkste verschil: een agent is niet één antwoord, maar een doorlopend proces. Je zegt niet meer “maak deze ene tekst”, maar bijvoorbeeld “zorg dat deze campagne de komende maand draait en optimaliseer op resultaat” – en de agent regelt een groot deel daarvan zelf. Dat is indrukwekkend… én confronterend.
De belofte: saai werk uitbesteden
Aan de optimistische kant is het verhaal heel aantrekkelijk. AI‑agents beloven:
• Minder repetitief werk: terugkerende taken zoals rapporten genereren, tickets triageren, data samenvoegen en follow‑up mails versturen worden geautomatiseerd.
• Meer tijd voor “echt” werk: analyse, strategie, creativiteit, menselijk contact – precies die dingen die vaak onderaan de to‑do‑lijst belanden.
• Slimmere organisaties: agents kunnen 24/7 draaien, data combineren uit allerlei systemen en sneller reageren dan een menselijke afdeling ooit kan.
In veel trendrapporten wordt dit gepresenteerd als een soort nieuwe industriële revolutie: bedrijven die AI‑agents omarmen, gaan veel efficiënter worden dan de rest. En eerlijk: het idee dat ik mijn digitale “klusjes” kan uitbesteden aan een agent, voelt soms als pure verlichting.
De angst: word ik zelf een agent?
Tegelijk merk ik bij mezelf een andere vraag opkomen: als werk steeds meer wordt opgedeeld in kleine, automatiseerbare stappen… wat blijft er dan over voor mij? Veel kenniswerk blijkt, als je eerlijk kijkt, te bestaan uit e‑mails doorsluizen, informatie kopiëren, standaarddocumenten opstellen en statusupdates maken precies het soort werk waar AI‑agents nu snel beter in worden.
Dat roept twee spanningen op:
• Ben ik nog nodig voor de taak, of vooral voor de verantwoordelijkheid? Als de agent het werk doet, maar ik “eigenaar” blijf, ben ik dan regisseur of alleen nog degene die tekent onder de risico’s.
• Hoe voorkom ik dat ik zelf ga werken zoals een agent? Altijd “aan”, zoveel mogelijk tickets afhandelen, alles optimaliseren – terwijl ik eigenlijk meer ruimte wil voor nuance, reflectie en menselijkheid.
In veel discussies over AI hoor je óf techno‑optimisme (“het lost alles op”) óf doemscenario’s (“niemand heeft straks nog werk”). De realiteit voelt veel dubbelzinniger: op sommige dagen ben ik blij dat een agent mijn rommel opruimt, op andere dagen voelt het alsof ik mezelf tegen het licht moet houden.
Aandacht, autonomie en grenzen
Wat AI‑agents zo spannend maakt, is niet alleen wat ze kunnen, maar hoeveel autonomie we ze durven geven. Geef je een agent toegang tot je agenda, inbox en bedrijfsdocumenten, dan heb je ineens een systeem dat afspraken plant, mails beantwoordt en beslissingen voorbereidt op basis van informatie die jij niet eens allemaal zelf hebt gezien.
Dat vraagt om nieuwe persoonlijke en organisatorische grenzen:
• Waar trek ik de lijn? Laat ik een agent meekijken in alles, of houd ik bewust stukken werk menselijk, ook als het “inefficiënter” is.
• Hoe blijf ik mentaal betrokken als een agent de uitvoering doet? Ik wil niet vervreemden van mijn eigen werk omdat ik alleen nog het dashboard en de eindrapporten zie.
Steeds meer organisaties praten daarom over AI‑governance, ethiek en “mens‑machine‑synergie”: hoe ontwerp je processen waarin mensen niet worden weggedrukt, maar juist versterkt. Voor mij begint dat klein, bij vragen als: welke beslissingen wil ik per se zelf nemen? Waar wil ik juist wél hulp van een agent?
Hoe ik er zelf mee experimenteer
In plaats van AI alleen abstract te volgen in nieuws en rapporten, ben ik begonnen met kleine experimenten:
• Een persoonlijke “research‑agent” die bronnen verzamelt, samenvat en opzettekst maakt, waarna ik zelf de interpretatie en nuance toevoeg.
• Een workflow‑agent die herhaalbare processen (bv. contentplanning, follow‑up mails, eenvoudige analyses) beheert, terwijl ik de uitzonderingen en creatieve keuzes doe.
• Bewuste no‑go’s: sommige dingen doe ik expres zelf, ook als AI het sneller zou kunnen, omdat het me helpt om scherp te blijven op mijn vak en waarden.
Die experimenten zijn niet altijd netjes of succesvol, maar ze helpen me om een eigen positie te vinden tussen “ik negeer AI” en “ik laat AI alles overnemen”. In een wereld waar AI‑agents steeds meer op de achtergrond mee‑beslissen, wil ik niet alleen gebruiker zijn, maar ook regisseur van hoe ze in mijn leven en werk passen.
Aan jou
Als je dit leest en zelf ook zoekt naar je plek in het AI‑tijdperk, ben je niet alleen. Misschien werk je al met agents, misschien voel je vooral druk om “er iets mee te doen”. In deze nieuwsbrief wil ik blijven schrijven over die grijze zone: waar technologie, werkidentiteit en menselijkheid elkaar raken.
Laat in een reactie weten hoe AI‑agents jouw werk of leven al raken praktisch, maar ook emotioneel. En als je dit relevant vindt, voel je vrij om je te abonneren of deze post door te sturen naar iemand die óók merkt dat er nieuwe “collega’s” zijn bijgekomen waar nooit iemand een welkomstmail voor heeft gestuurd.
